ii7
en tuigen splinterend brak. Hoe konden deze snoevers, met koppen als stekelhaaien, hoe konden deze heiden-sche schimpers weten van zijn avontuur en zegengevecht met den leeuw en van den wilden bijenzwerm? Hoe konden deze ruige schelmen het bondig, toch onoplosbaar raadsel verklaren, waar niemand, niemand een gerucht van had vernomen, zelfs zijn vader en zijn moeder niet? ... Zoo stond hij nu met een verweesde vraag.
Weer overzag Simson beklemd en bevend van ongesmoorden gram, de schei-getooide krijgers wier Zwaarden in een hooghartigen groet, tegen malkander kletterden achter de opgeheven schilden. Hun aangezichten strakten zich, na het spottende eerbewijs, als steenen tronies. Alleen de oogen van den cpper-bruidsgeleider die zijn beukelaar liet zakken, laaiden van haatvuur. Plots deed Simson eenige stappen achteruit, hevig ontzet, in een ontwakende en verbitterde bezinning. Er schoot een grauwe bleekheid om zijn neus en mond. Hij begreep sidderend, in groote klaarheid nu,... Sichema, zijne eigene vrouw had hem verraden! Bij moeder Zelalphonith,... hij, van zijn ontvangenis af gewijd, kende de vrouwenziel-in-liefdesspel niet. Al haar aanminnigheid, smeeke-lijke vleierij, dus wrange listen van een huichelaarster, een Beliats-dochter? Haar teedere stem, haar tegen-bedenkingen, haar streelende verlokkingen, haar stuiptrekkende huilsmart en haar toorn, verachtelijke geveinsdheid?