ii6
— Neen, man van Dan!... schreeuwde de krijger al woester en vreeselijker ... Neen ... niet tot de nieuwe-maansdagen en de dagen van het lof-offer!... En niet tot uw lijk gewasschen en gereinigd wordt aleer gij terugkeert naar uw Oudvaders ...
Opgekropte haat en wilde vreugde, die bruisten als uitgegiste wijn, nauwelijks te bedwingen, sneden en jubelden genadeloos en ruw door zijn woorden, en zijn wanghouw vlamde als een vuurstriem.
Simson ontstelde heftig.
Toen, voor hij het kon vermoeden, na signaalgebaar van den opperbruidsgeleider, klonken dertig stemmen tegelijk uit de krijgerswacht op, als een dreigkoor:
— Wat is zoeter dan honing en sterker dan een leeuw? ...
II
Een hevige schrik doorschokte den Hebreeuwer en over zijn oogen viel een zwarte omsluiering eerst. Bij Jozua, bij alle hemelmachten,... hij wist niet wat hij hoorde klinken! Wat waren dat voor listige ondervlechtingen zijner daden? Het was alsof de bovenmen-schelijke kracht, aan Gods-geheim en Nazir-gelofte gebonden, hem plots geheel ontzonk!... Alsof hij van al het zichtbare afstierf en opgereten van binnen, met al zijn hartsgeheimen te kijk stond. Hij staarde ontzind naar de Philistijnsche mannen in het gelid en balde de vreeselijke vernielvuisten, de herculische moordvuisten van een Rephaïm die blind, boomen