"5
toovenarij een oplossing nabij waren. Doch nu zij zelf tijd wilden winnen begreep Simson dat hij zich vergiste.
Bedeesd klonk het antwoord, wonderzacht uit zulk een ontzachlijke gestalte:
— Ga in vreê ... ik geef ieder man tijd tot den laatsten tel van het laatste uur!
Simson overmijmerde gelijkelijk, uit d'aartsvade-ren-tijd, Jacob's ootmoedig dulden van Laban's kwellingen en prikkelingen; Oudvader's geweld toch tegenover den worstelenden engel, die zijn heup kreupel wrong. Hij hoorde het Opperwezen tot Jacob, den listigen voetlichter die tóch vechtheld was, spreken. En Simson droomde weer weg naar de verre, blauwige heuvelen en hoogten, waar lichtcherubs huiverend de vleugelen wiekten in de gouden, verre, wemelende lucht.
Doch opnieuw stootte hem de spotstem van den Philistijnen-krijger. Deze grimmig in grijns, schertste:
— Zoo-zoo, reus, naast wien wij huppelen als dwergen met rattestaartjes,... zoo-zoo,... tot het laatste oogenblik!... Ei!... Ei!... Hoe verzoenend breekt gij het brood met ons!... Doch wij zullen maar matelijk wachten, zoon van Israël, die u eêr een zoon van Enak waant in kracht en geweld en kennisse ... een Nephilim ... een Gibborim ...
Weer die zachte, toch nieuwelijke, tartende triumph-klank in de stem! Nu keek Simson snel op.
— Niet langer wachten?