114
geleider, met tartenden. dubbelzinnigen blik en vlijmend-boosaardige stem, sprak den Hebreeuwer toe. De gouden oorringen van den Philistijn blonken en zijn gebrandverfd schild hief hij tot de woest-gloeiende, toch mysterieus-loerende oogen op.
Simson even duizelde. Bronnen-gemurmel zong nog zijn ooren in. Hij rook nog zoeten aarde-geur van eiken, dennen, gras en wierook-boomen aan zijne vingers. Hij zag nog de druifblauwe golven en het goud-schitteren van het vaste hemelgewelf. Hij leefde nog in de twee wezenheden van zijn bestaan als richter, droomer. Hij zag nog Gezichten... hij ziener en ... strijder.,.
— Het raadsel... de raadselspreuk,... mompelde Simson, zich aan zijn loome droomen ontworstelend.
De zacht-huichelende stem van den bruidsgeleider klonk als de roepzang van een Thimnathschen schaapherder:
— Hebreeuwer ... nog is het gastmaal niet om ... nog enkele uren slechts en het uitspansel verduistert, ... is alles weer verborgenis!... Verborgen als uw raadselzin!...
Gluiperig keek hij achter zijn beukelaar uit, aan wier knop een tweesnijdende bijl flikkerend schommelde.
Simson glimlachte wezenloos; staarde op eigen roo-den rok en bestoften staf. Hij had gemeend gesmoorden triumph in de stem van den opperbruidsgeleider te hooren, alsof de aanvoerder en zijn mannen, door