ii3
de dagen der eerste Schophetim, vochten ongetemperd broeders' en kinderen van één God, die versmolt in zijn toorn en die hun bloed terugstortte over gansche nageslachten. Ephraïmieten en Gileadieten brachten elkaar zonder noodkreet om, onder de schrik-oogen van één Opperwezen. Op dit schuimende bloed van broedermoord aasden grijnzend, binnendringende Ammonieten, Moabieten, Midianieten en Philistijnen. Er wierden gruwelzonden bedreven met Baal, en zonden met al de heidensche afgoden, ondanks brandoffers en schuldoffers die hevige strafgerichten van Jehovah ontlokten. Wanneer oogen smeekten en schreiden, was de ziel dor. Wanneer de ziel weende, bleven oogen droog. Een walm van aardharsig bederf oversmookte de erfdeelen van de zonen Israëls en vreemd vuur vlamde op altaren van drekgoden, met brandende kalkmortel bestreken! Duidelijker dan ooit had Simson, de ziener-droomer, oproep en beurtgezang tusschen Deborah en Barak gehoord, als van naverwanten, een Godsregeering over alle stammen eischend.
Toen de Naziraeër tegen den avond de bruidswoning, met versche myrthetakken gecierd, naderde, den bestoften staf in de stille hand, doch het ontroerd-schoone gelaat van angstige vervoering overglansd, schoten plots Philistijnsche krijgers in het gelid; geduchte mannen van Thimnatha, van Beth-Semes, de Zonnestad, van Ekron en Gaza. De opper-bruids-