ZESDE HOOFDSTUK
I
Op den zevenden dag van het feest, — terwijl trompetten en pijpen weer de monden zingend openden, — verklaarde duldende Sichema de manschappen der stad, tegen hun dreiggebaren in, afgemeten-in-rust, het raadselgeheim.
Ook dié uren had Simson zich onttrokken aan het bij vlagen luidruchtig uitbrekend feestgejubel, het dansen en trommelen van gasten. Lang, heel lang had hij gedroomd, nabij de grenzelooze vlakte van Jizreël, als opgeslurpt in haar lichtende en duisterende geheimenissen, onder een breed-schaduwende groep terpentijnboomen, over zijn huwelijk en Sichema's, door den Eeuwige gezegende vruchtbaarheid. En lang over Israël en zijn heilige roeping.
Alle naverwante mannen van zijn volk en niet alleen uit de westelijke stammen, dwarrelden en dwaalden vijandig en schennig dooreen; bevochten in zieke afgunst malkander lijfelijk op tempelpleinen, in schuldige ongerechtigheid. Als in de dagen na Jozua en in