log
tuchtiger uit Zoreah boven hem, reus uit eigen volk te verkiezen.
Hij, in zijne gesmaadheid, joeg juist haar angstig op, om Simson het raadselgeheim af te persen en dien ellendigen Hebreeuwer-verwoester, met zijn geheime kracht, hem over te leveren. Sichema zag lioofdman's haat-oogen flikkeren gelijk gloeipinnen en zijn mond rilde van genot reeds bij gedachte aan wraak en verraad.
Eindelijk, op den zesden nacht van de Koningsweek, vermurwde Sichema met hartstochtelijke min, smeek-lijk en lieftallig gepruil, hem vernederend en verheerlijkend tegelijk, Simson in bed. Van verre klingelden, achter het zilveren geritsel van olijfboomen, week en geheimzinnig, Syrische triangels ...
Simson's kinderlijke natuur wierd diep geroerd door haar verteederende smeekstem, door haar melancho-lisch-onderworpen zielsdringen. Zij geleek de toover-schoone, ranke maangodin Asthoreth zoo verbijsterend, dat hij Sichema woest, opgewonden, half-stamelend toch, — want zelf even in een teuteleutigen angst voor afgodsbeelden verward, — het geheele gebeurde met den donker-manigen leeuw, in den brandenden zonnegloed der wijnbergen, vertelde.
— Begrijpt gij nu, dierbare vrouw, den weerbaren zin van het raadsel: spijs ging uit van den eter en zoetigheid van den sterke? ...
Sichema staarde den stouthartigen held met haar gouddiepe sterrenoogen, den verschrikkelijksten reus die ooit had geleefd, als een wonder aan, omhelsde
Simson. 8