io8
het raadsel en ontkoppelde zich van haar benevelend en beklemmend stemgevlei. Want God zou hem oordeelen van aangezicht tot aangezicht!
Nachten achtereen bleef Sichema pruilen en snikken, schamper verwijtend afstooten, lokken, schreien en smachtend vragen. Want al noemde zij het gewelds-dreigen der krijger-bruidsjonkers een lagen dwang op haar, een barbaarsche wreedheid, zij verzweeg dit onmenschelijke gehits Simson en smeekte door.
Zij bekoorde hem dubbel met haar vlugge bevalligheid van gebaren, en Sichema groeide steeds vaster in haar arglist. Zij, er tegenin, voelde zich toch uit merg en bloed zijner vijanden, uit de strijdzuchtige Cheretims geboren. Haar droefgeestige geveinsdheid wierd echtheid, haar echtheid, geveinsdheid. Zij zag nog maar alleen de dolle dreigoogen van de brallende bruidsjonkers, die juist als doorgronders, als raadseloplossers en betasters van geheimzinnige woorden, niet de minderen van dien ijzingwekkenden Daniet wilden zijn; het alderminst in haar oogen.
Sichema hoorde blazen de zware bazuinen onder schreeuwerig getier en zwaardgekletter, van Philis-tijnen en huurlingen. Zij hoorde in bang lijfsbehoud, alleen vuur ruischen en knetteren om haar vader's huis heen en de schimptaal van akkerroovers en veedieven achter waaiende vlammen. Het hevigst vreesde zij de schemerende wraak van den Philistijnschen hoofdman die haar blind begeerde en dien zij tot tranenstorten toe had gekrenkt, door Simson, den