IXO
hem toen verstikkend-lang en in haar ziele-ontlading stortte zij, zonder dat Simson iets vermoedde, haar smachtbede om vergiffenis uit wijl zij hem, haar oer-vermetele, straks ging bedriegen.
Simson, in zinnenroes, bevangen door Sichema's wild-bekoorlijke en daemonische grilligheid, vergat alles; d'oirkonden zijner heilige gods-geboden, zijn roeping, zijn waakzaamheid, zijn kracht, zijn raadsel.
Sichema, in trotsche overgave, geleek Asthoreth, de gesluierde misleidster, die in nachten van heimwee en liefde-verborgenis, schrik bracht en vervoerenden hartstocht. Sichema, dePhilistijnsche, geleek Asthoreth om wier leest lentegeuren wolkten; geur van cederen, geur van oranjebloesem en wilden honing; geuren van belofte en bedwelming. Sichema bracht gelijke verwarring en wild oproer in Simson's bruisende zinnen als Asthoreth, die in den blauwen avondschemer verscheen. De zwartgouden schitteroogen van Sichema onthulden Simson deemoediglijk lustverborgenheden, die hem deden sidderen; de liefdedronkene ziel van den Naziraeër openrijtten. Want was hij niet een wezen, dat steeds in Godsopenbaringen moest leven en eeuwig, in hartstochtelijken drang hunkeren naar de blauwe ooster-verte van het gebergte Gilead en de bultige heuvelen Abarims? ...
Sichema smoorde haar medelijdend en overstijgend berouw, haar wroeging, nu zij zichzelve, haar vader, haar moeder, broeders en zusteren uit de ontzettende en wreede dreiging der Philistijnsche krijgers te redden