io6
kende geen verteederende weekheid; bracht in sluipmoord, gruwelijk koning Eglon om en versloeg de uitmergelende legerdrommen van Moab zonder erbarmen. Deborah, Moeder in Israël, de heilige zieneres, en de bliksemende Barak van Kades, uit den heldhafti-gen noordstam Naphtalie en uit het heuvelenland, ten westen van het Boven-Jordaandal, — óók uit Dan's gezegende, nederige stammoeder Bilha, —... zij wisten van geen innerlijke aarzelingen, bij volksrampen. Geen der onverschrokken Richteren uit de westelijke en oostelijke, zuidelijke of noordelijke stammen, kende d'overrompeling der lagere hartstochten. Zij vertraden de Hoogten en versloegen Canaanieten, Midianieten, Amalekieten, Cheretims; stuitten hun plundertochten, en geen schijnheilige liefde voor een schoonoogige vrouw, bracht verraad of bezoedelende euveldaad tegenover verdoold Israël. Vernam hij weer niet geestvervoerend Deborah's roep :Toen de Eeuwige van Seïr uittrok, toen daverde de aarde en de hemelen stortten wolken en water uit en de bergen verzonken?... En dreunden de klanken van het slotlied niet nog na in zijn ooren ... ״Zoo mogen al uwe haters omkomen, o Jahve"!...
O, hoe hoorde hij nu weer, Simson, het herders-gejubel naar de weerbare mannen die onder de poorten saamwemelden, in strijdbegeeren! En zong niet Barak, de ״bliksem" onder Israël, tot de koene stammen op, de bergen: