!05
maar toch gelijk draaischijven in malkanders levenskring besloten, ooit zijn Richteren-ambt kunnen volbrengen? Jozua, zoon van Nun, Jozua de algeweldige veldheer, die de zon haar gang bezwoer in Gibeon en maan's vaart in Ajalon's dal stuitte, tot zijne stormende krijgers door de bloeddampen waren heengevochten, Zwichtte nimmer onder veinzerij en dubbelhartige zelftevredenheid van volk en schepselen. Hij leek hard als het roode graniet van den Sinaï en blakerend als de vuurwolk waarin de Eeuwige was neergedaald aan den bergvoet. Van voetzool tot voetzool stond zijn lichaam als een onwrikkelijke zuil, sedert den Uittocht. Hij richtte met God's ernst, de weerspannige schare, de uitgebluschte en wulpsche afgodendienaars van Israël, besmet door Baal, Dagon, Molech en alder-lei gesneden beelden. In genadeloos verweer plaatste hij zich tegenover de Hethieten, die bloedroode granaatbloemen tusschen de lippen uitzogen om hunne angsten weg te smoren. Hij plaatste zich, star in verweer, tegen alle Canaanieten. De Toomelooze uit de machtigste stamme Ephraïm, was sterk in zijne wijsheid en vermorzelende macht; toch nederig voor den Eeuwige.
Othniël, uit den leeuwenkoenen zuid-stam Judaea, hoezeer al van vroegste uren vermaagschapt met Canaanieten, bevocht Israël's vijanden zonder verademing. Hij, zoon van Kenaz, wierd verlosser zonder zonde en afval en wroeging van zinnen en hart. Ehud, de linkshandige Benjaminiet, zoon van Gera,