104
smecken af en vroom van ontroering verklaarde Simson, bevend-beschroomd, dat hij ook zijn vader Manoach en zijn moeder Zelalphonith over het raadsel geen luttel woord had gebiecht. En dié waren toch wel van zijn bloed en van het bloed der aartsvaderen ... Plots, onder een heftig bezinnings-gebaar sprong Simson weer overeind. Hij zag voor zich, in gedachte, het grijnzende moordersgelaat van zijn medeminnaarnabuur onder het brallend vloekgeraas zijner stem; een reus-van-gestalte, een wreed zwaardslachter met den schuinen purperen wondhouw over de tartende tronie, almaar wilden coriander kauwend. Simson hoorde weer gram en gluiperigen spot van de dertig jonge, soms overdolle, schrollende Philistijnsche bruidsjonkers, die Beth-Dagon op draagzetel, verheerlijkten in gezangen, en éven schoot er een wrange angst door hem heen: zou Sichema, de Philistijnsche, spelen met Zijn kuische mannenlusten en zijn kuisch geluk? ... Zou zij zijn verteederd-wellustig verlangen en argeloos hunkeren naar haar wezen, in grillige saamschikking van lotkansen, misbruiken? Zou zij, in huichelachtige zelfzucht, zijn heimelijke zinnen-zwakhartigheid en verwarring, en zijn machteloos inzinken tegenover Zoeten aandrang en stille oogenvraag, beloeren en zijn kwijnen zien als van een leeuw wiens klauw-nage-len gekort zijn? Hoe kon hij ooit met deze verwijfde gevoelens, wreker van zijn volk wezen, hij, de door God uitverkoorne? Hoe zou hij, met deze voos-men-schelijke hartstochten, d'een al vuriger dan d'andere.