IOX
stoot en vergramt, in ziekelijke wangunst! . . .
Sichema kromp inéén van angst. Toch vond zij den begenadigden Hebreeuwer, in zijn wijdluchtige en algeweldige kracht en in zijn geeselenden, toch smar-telijken toorn, aanbiddelijker dan ooit, terwijl zijn gitglanzige lokken bij ieder hoofdgebaar den brons-tintigen nek omzwierden. En zij zag een heiligen glans over Simson's ovaal, mannenschoon gelaat, dien zij nimmer nog bij een ander menschelijk schepsel had aanschouwd. Sichema weende zacht, woelde de haren over den ontblooten boezem los en snikte. Zacht smeekend, met lokkende en bedwelmende vleinamen, in eindelooze verteedering riep zij haar vreeselijken held en ook Simson, in zinnelijke verwarring en ontroering verzwakt, voelde een duizeling in zijn begoocheld brein. Hij drukte haar tegen zijn borst aan met heftige ingehoudenheid van kracht, die hem als reus, — bewust van het geweld zijner woeste ziel, — honderdmalen zoo omzichtig-beschroomd maakte en Sichema deed huiveren van wellust-genot en schendige smart. Simson aanzag Sichema aanbiddelijk met haar schreiend, toch stralend-schoon gezichtje, onder droeve tranen die sterrelend glinsterden in haar zalig-donkere licht-oogen. Hij zag een vurige, gepijnigde vrouw weenen om hém en hij, ongebonde-ne, vulkaan van zinnen en hart, ongerept en kuisch vóór dit Sadika-huwelijk, voelde een verbijsterend liefde-geluk plots door zijn verdriet heengemengeld. Tegelijk omdoolde een vreemd, mistroostig heimwee,