102
een beklemmende droefnis zijn ziel en ontstond er een weifeling in zijn eigen jachtig-dringende gedachten. Een wonderlijke ontroering beving Simson. Hij verteederde onder Sichema's bedwelmend en Zwoel hunkeren naar zijn wezen, maar het bleef een zondige zwakheid, dit wrang-schimpende schepsel zoo heftig terug te begeeren. Zou deze Dagon-aanbidster, deze vreemde-toch-zoo-eigene vrouw gelijk hebben, met al haar scherpe woorden en troetelbekjes? Mocht hij haar zoo geheel buiten zijn innerlijk gemoed sluiten? Hij aanbad Sichema met heel de menschelijke macht van zijn hart, maar hij verachtte en haatte even toomeloos haar bezwadderend volk, van man tot man, als hardvochtige verminkers van geknecht en teruggeworpen Israël. Hij, uit zijn erfdeel Dan, door aartsvader Jacob al geroepen: ״Dan zal zijn volk richten"; hij, in heiligheid als Naziraeër God gewijd, hij zou geknecht Israël, uit Aegyptenland opgevoerd door Jehovah, verlossen; hij, kind van belofte, door den Heere afgezonderd!...
V
Ook in Simson was een zwak-beschermend instinct ontkiemd; het gevoel, — opgedoken in ziele-schemer, — dat hij haar toch nooit kon beschouwen als een lévend deel van zichzelf en zijn heilige roeping. Mocht hij deze zalig-verwonnen vrouw ootmoediglijk alles