99
bezetene er uit;... dat Simson zelf in haar dien opstand, plots gelijk een bliksemvlam, had ontstoken. Want niets wist zij van Simson's verborgen en stille leven; niets van zijn rusteloos gaan en niets van zijn verschijnen; niet waar hij zwierf in haat en wat hij dacht,in wraakzucht; niet wat hij godvruchtig bad en blijhartig overmijmerde. Hij, wiens erfdeel grensde aan het Philistijnsche land, waar de zuidoostenwind brandende woestijnhitte aanwoei over de waterputten, hij bleef toch voor haar een wildvreemde uit een onbekende moederschoot geboren; en ook zij voor Simson, al bestond nu aanverwantschap en al bracht hij gouden neusringen voor haar mee uit Sichem, onder een Godsboom geheiligd. Wat kon zij van dien nimmer-knielenden Hebreeuwer, van zijn stamvaderen gelooven en van den Geest des Heeren die op hem viel? Wat hij van haar tooverkrachtige goden en orakelen, die de bergen namen schonken, wijn en brood wijdden en zegenden? Zooals Simson, de Eenzame, opdook achter kuddetorens of uit zachte koelte van belommerde valleien, zoo moest zij hem liefhebben, in zijn eenzaamheid en droomerij; naast haar en toch veraf, begeerd en toch verwaarloosd, altijd raadselachtig en toch altijd open, gelijk een boschbrand vol vuur, laaiend licht en hette en toch nooit verteerd van drift en verlangen!...
En toen, in een gillende smart waarin arglist kronkelde, verweet zij hem laatdunkend dat hij een terugstootend hart, een hart van rotssteen had, al