98
woorden en veinzend zelfbedrog. Zij vervloekte haar eigen verwarde binnenste en haar benauwing, want zij hongerde naar Simson's liefkoozingen. Zij schreide nu echt om haar pijnigend en lasterend kwel-verraad en zij greep weer naar Naziraeër's geweldige, hijgende drift-borst. Tegelijk ontsteeg haar een innerlijke weerzin en een onverklaarbare woede tegen Simson's groot-menschelijke goedheid. Dat hij ook nu nog zoo edel en argeloos bleef, ondanks haar ontrouw en misleiding; zoo kind geheel, zooveel reiner van zinnen dan zij, in haar sluw veinsspel; zooveel beminnelijker en zachtmoediger dan haar schennende en wreed-houwende stamgenooten!
En zij wierd al toorniger op dien vermetelen heerscher, van zijn almachtigen God bemind, op dien hartstochtelijk-teederen geweldenaar uit MachaneDan, die zoo smartelijk-streng Jehovah's Wet hield, omdat hij onbedorvener was van ziel dan zij en heel de Philistijnsche krijgersbent. Zij hitste zich nu zelf schaamteloos op om Simson's menschelijke onschuld en overgave te bezien als koele zelfbezinning, als trots, als krenkende onverschilligheid. Nu móest en wilde zij den argeloozen Hebreeuwer misleiden en hem het geheim afpersen. Alleen met smeekingen en tranen, met toornigen spot en droefheids-vertoon, als onder het klinken van weemoedig-klaaglijk snarenspel, Zou hij haar den raadselzin niet onthullen. Daarom slingerde Sichema, — in een soort van wilde juiching Dagon aanroepende, — haar verwijt-woorden als een