97
Gij haat zoo gruwelijk mijn volk, zijn goden en zijn menschen ... in zulk een blinden toorn, dat gij ook mij haat, in al mijn nakomelingen!... Gij haat mij en luistert alleen naar de vrouw uit het gebergte Ephraïm, naar Deborah!... Die hebt gij voor uw woeste verrukkingen verkoren ...
Simson strekte de hand uit en voelde zich ver stee -nen van schrik, nu Sichema dien heiligen naam, in gekrenkte afgunst, opriep. Hij liet Sichema los en staarde heel lang, met groote oogen voor zich uit alsof hij iets verbijsterends zag gebeuren.
Zij bleef krijten en kermen.
Zulk een smartelijke en toch kille woede van Sichema, zoo een gekrenkte stem-uitval, zulk spottend razen en tieren onder tranen en snikken, bracht Simson tot duizelende vrees en wanhoop. Weer vroeg hij, in benard zelfbedwang:
— Wat heeft u aangetast en verblind, Sichema? ... Wie, uit de rooverhorde, stookte u tot zulk verzet en tot zulk mistrouwen? ... Ik adem toch nog onder de schaduwe van uw en uw maagschap's huis? ... Wie brandde den boozen argwaan zoo in uw bloed? ...
— Gij zelf Hebreeuwer ... gij, met uw wreeden, almachtigen God ... Gij, met uw angstig-klinkende gebeden, uw eenzame droomen en uw eeuwig mompelen van namen: Jozua ... Deborah ... Jaïr ... Voor God en Gideon!... Gij met uw dolle daden en grillige, gewapende geheimen!...
Sichema kromp saam onder haar nijpende leugen-