96
ernstigd gelaat toegewend, — dat hij haar niet minde; dat hij in haar bleef zien het schepsel van vijandigen stam: de verachte, onreine Philistijnsche die alleen maar zijn mannenlusten prikkelde, doch voor wie zijn menschenziel koud was gebleven.
En zij snikte en verweet beeldsprakelijk:
— Gij haat ons allen, Simson ... gij tuchtiger!.. ♦ Gij wilt ons allen verpletteren met uw grondelooze macht en uw heldengeest!... Uw haarvlechten glinsteren als zwarte spelonkenrots. Gij veracht ons allen in gesmoorden toorn! Gij haat mijn adem, al begeert gij mijn lichaam! Gij blijft koel en star onder mijn smart!... Ik kan uw driften met mijn oogen meten ...
Simson kreet ontsteld er tegenin:
— Zwijg ... zwijg vrouw!... Bij den eeuwigen God en Vader,... gij bezondigt u gruwelijk .. . Gij raaskalt..., gij smijt maar uit,.. . gij weet niet wat gij zegt...
Simson, gelijk vroeger, kon weer den klank van haar stem niet grijpen. Hij hoorde als in het begin, het snerpend-ironische, het uitdagende, en hij onderging het weer als brandsteken van een schorpioen, als piekprikkels van een cactus. Doch nu, in haar geveinsde, schreiende woede zichzelf opwindend, de arglistige tong gescherpt en kracht zoekend in haar zondig en troebel verraad, jammerde met wrange stemme Sichema terug:
— De waarheid Simson... de loutere waarheid, Zwijgende, eenzame Hebreeuwer ... gij haat mij!...