95
Simson verstomde en zag in een visioen, uit de halve bedduisternis, het stroef gelaat van Abraham hem tegengrimmen. Was dit reeds de straf op zijn misdadig begeeren van een vrouw uit vreemd volk, die hij in zijn zwak-menschelijke hartstochten niet kon vergeten? En God zelf had hem blind er heengedreven, gelijk de engelen toenmaals de schandemannen van Sodom richtten!
Simson streelde vertroetelend Sichema over het geurige, iederen nacht veranderde bruidskapsel, nu van blauwe vogelenvleugels gecierd en met goudglanzige topaas in strengen kruislings saamgesnoerd. Hij voelde haar zoeljeugdig en smachtend lichaam, in kramptrekkingen en snikkend verdriet heftig tegen zich opschokken en sidderen. Zijn gansche diepe, kinderlijkverlegen en onargwanende meelij-natuur brak los, wijl Sichema zoo stelpeloos weende. Met teedere hartstochtelijkheid, dronkene begeerte en een geheim voorgevoel toch, van onrecht dat hem geschiedde, riep hij uit, zonder bestier over zijn zinnen en een wilden glans in d' oogen:
— Spreek Sichema,... waarin krenkte ik u? ...
Zij was hem als een vallei in stikdonkeren nacht. Hij zag haar verraderlijke diepte en snerpend-vrouwelijke arglist niet.
Sichema sprak, eerst hortend, toen al snikkender en feller, al droever en opgewondener uitbarstend, — doch nu met haar betraande, toch nog heerlijk-uitstralende sterrenoogen naar Simson's angstig-ver-