94
handkameel haar mandier, volhardde Sichema in haar zwijgende zonde en boezemdiepe slechtheid; bleef zij schijnbaar wrokkend en smartelijk-snikkend doorweenen; weerde zij barsch zijn hunkering naar haar schaamte af,
Simson, in stijgender onrust en meewarigheid, begreep niets van al wat er in Sichema's binnenste gistte en gloeide. Ook den volgenden nacht prangde Sichema zich aan Simson's breedmachtige borst; biechtte zij haar snikkende smart uit en stootte hem daarna ruw en met gehuicheld afgrijzen weg. Hij, Simson, als Godgewijde, afgezonderde van zijn geslacht, vertrouwde zijn eigen vrouw niet,... kreunde Sichema in weeklacht, terwijl zij haar eigen gemoed spietste.
De Hebreeuwer, die pas eenige uren her, in een soort van droombezieling zoo heilig Mozes' sterfstem had hooren klinken, opperste propheten-stem, van het gebergte Abarim, in den lande Moab, over de lage valleien, ontstelde schuw. Dit was toch geen vrouw van Moab of Ammon, uit Milka en Nahor... die onteerd van de bron weerkeerde?
Heesch en verslagen vroeg hij:
— Ik u niet vertrouwen, Sichema? ...
Zij schokte het lenig-schoone lichaam; schreide^en kermde zacht met haar smartelijke huichelstem en leugenmond:
— Neen!... Neen!... Gij Hebreeuwer vertrouwt mij niet!...