93
de glanszwarte leeuwenlokken niet zien en zijn bedeesde, wonderlijk-trillende stem niet hooren. Siche-ma besefte vaaglijk rond den Hebreeuwer in zijn scharlaken mantelrok, een getralied geheim van godvruchtig leven, dat zij niet te naderen waagde met haar ongewijde en vreesachtig-bijgeloovige ziel. Want al aanbad de ruw-teedere Simson haar fonkelend-vurige kijkers zot, haar rank maagdenlichaam, toch behield zij schuw-uitgefluisterde schaamte tegenover den bovenmenschelijk-sterken, vreeselijken reus, die kuisch was gebleven en zich in teugel had gehouden tot aan zijn echt, al vochten gewijde Syrische vrouwen uit de bergen en echtbreeksters van zijn volk met malkander, om den aangebeden held te bezitten achter wachttorens of onder de purperen schaduw van een wijngaardhaag, in lenteschemer. Maar ook woelde tegen haar vervoerenden hartstocht, het stamverwante bloed in, dat haar oogen verborg; dat haar trok naar de dappere en dreigend-snorkende jongelingen, de Philistijnsche krijgers, haar stoute eerewacht; naar de olijfglanzige mannen die vóór den dol-opwindenden raadsel-strijd, om een teeder gebaar van haar hand, smeekelijk hadden gehunkerd.
Zij handelde nu bewust, valsch en wreed. Zij veinsde een harte-verdriet en zieletwijfel die ,zij niet kende, en terwijl zij zichzelf beschuldigde van sluiksch verraad en het heimelijk aanwenden van zinnelijke toover-middelen tegenover den geweldigen tuchtiger en vaandrager uit Dan, dien zij jaloersch minde als een
Simson. 7