2ió
in een pot, — het diepere-ontroerde en hevig-bewogene van zijn innerlijk verbergt in het gezoek naar simpele dingen, tóch geheel opgaand in het hoogere. — Sluyters is meer de loszinnige vagebondeerder van de kleur, de spotzuchtige, de lacher in een kerk, salto's verduikelend tusschen de deftige gekleede-jassen-dragende collega's, die, met hun gesoigneerde gezichten, bestuurders van wereldsche genoegelijkheids-groepjes,..״ hun bosschen, landschapjes, binnenhuisjes, zee'tjes, kopjes, portretjes afleveren in keurige lijsten; die, zonder zweetgeur, met penseel kweelen en streelen en de zoete lekkernijen van hun beschaafde verfijning en welverzorgde smaakjes zoo teederlijk uitstrijken in hun gelikte peintuur, goedkoop van glans en cier als de krul-ornamenten hunner lijsten.
Daartegenover staat Sluyters met zijn wilde, stout-gegrepen concepties, zijn ontketening van oproerige hartstochten, zijn breuken-uitzwellende, omvèrsmakkende kunst, jong, uitdagend, heftig, soms plotseling zwaarmoedig en ziek van somberte. Maar nooit iets wee's iets streelends óm 't bourgois-behagende, nooit iets lieverigs, geaffecteerds en voos-mercantieels, nooit een kundigheids-vir-tuoserij, Afgesteld op voordeel en leeg lofgezang. Ook hij werkt in een soort bedwelming, een koorts, een scheppingsonrust, die zijn zenuwen knauwt. Hij zoekt nooit verzoening met wat er fel in hem brandt aan minachting