krijschend van kleur lijkt u veel, maar bezin en bezie rustiger en ge voelt een wilde harmonie in deze brutale mengsels, een schijn-nonchalance, die soms de bekoring heeft van het romantisch-woest-grootsche. Wat een tint-dooraderingen; wat een zoeken naar effecten, naar uitdrukkingsmiddelen en altijd fijner nuanceeringen, bij zoo'n woestaard! Hij, de somberling, wat een heldere heerlijkheid van vegen kan hij uitstrijken, zoo schitterklaar, zoo rijk aan gloed, als van een vurig jubelmensch. — Hoe zwelgt hij in zijn lakken, en hoe rijk beheerscht hij 't materiaal van de verf-sóórten.
Zooals ik zei: alles in hem is nog warrend. Hij heeft zich zelf nog lang niet. Zijn hartstochten bemeesteren hem en spelen met zijn ziel en zijn ontroeringen, nukkig, grillig, omzwenkend, als rook in een stormdag. — 't Is alles nog te genialerig, te opzettelijk vindingrijk, en te gejaagd-voortgedreven door iets dat soms tusschen waanzinnigheid en overspanning inspartelt. Hij heeft den droom van Mondriaan niet, die, lyrische verrukking van het stille aanschouwen, het diep wegzinken in eigen zoet gepeins over de geestelijke schoonheid der dingen, bóven de felle en wondende levensbeweeglijkheid stelt. Hij heeft ook niet de zwaar-bevochten aandachts-concentratie van Spoor, die, zich hullend in een gewoonheids-doen, weergeving van een rijkelui's-kindertoetje, wat bloempjes