doodgeboren? Maar in dat meedoogenloos helsche en wreed-naakte is hij een groot talent, al brengt de zinlijke perversie ervan een huivering u in 't bloed.
Zeer vreemd is ook zijn rhythmische voordrachtswisseling in gelijksoortige onderwerpen. Soms in coloristi-sche driftbuien,' krachtpatserig en dol, er heelemaal naast slaand, soms zeer schoon, de donkerste en droefste stemmingen uit de smartelijkste mijmering van zijn ziel naar voren brengend op hetzelfde onderwerp. Dan merkt ge pas dat het decadente in Sluyters niet iets verdorvens is, iets verlorens en lichtends in het rottende, maar meer een verfijning in de verlevendiging van zijn groot temperament. De kratering van zijn passies walmt soms plots roet en vuur over zijn teederste en reinste gevoelens. Zijn ferociteit en hevig-woeste onstuimigheid is meer reactie op schoonheidsschending van middelmatigheids-prijswinners in den kamp om coloristisch fatsoen.
Met een steekbeitel werkt zijn ironie daartegen in, en hij grinnikt als hij hoort krijschen van benauwing. Toch heeft zijn verlevendiging ook een positief grond-streven. Hij wil uit de doode schoolschheid van vele gereputeerde schilders öp naar het frissche, het echte, het onbeschool-meesterde, precies als zijn vriend Mondriaan, maar weer anders bij hem, minder lyrisch, meer fel-psychologisch en ontledend. Want onder Sluyter's sensualiteit leeft een