2IO
Want wie kent de vak-verrukkingen van van Gogh niet, zijn ontzaglijk-gretig inslurpen van techniek-studie, zijn zich oplossen met heel de titanische en toch zoo kinder-sprookige ziel in allerlei gecompliceerde werk-expérimenten ? Alleen, alles bij dien reus ging zwaarder, tragischer van gang, meer in verrukking verzonken. Is 't zoo moeilijk te weten, dat men grijs voortbrengt, als men mengingen van blauw, rood, geel, paars, oranje en groen neemt ? Wist van Gogh niet met halflicht te schilderen, met 't wit, dat heel een geheim van tinten kan orchestreeren ? Heeft van Gogh niet het technisch procédé diep en vol eerbied, bestudeerd van de pointillisten, de neo-impressionisten, de luministen, maar vooral niet minder van de oude meesters? Heeft hij ook niet uit zich zelf beseft, dat het rood gloeiender brandt naast zijn complementair groen, en het blauw bij oranje dan in de kleurmengsysteems der ouden? Had hij Pissaro Monet en Seurac noodig om dat te weten ? Om de theorie der optische kleedcontrasteering te snappen? Heeft hij niet prachtig beseft de werking van het figuur op oude schilderijen, de boeren-figuur speciaal bij Millet? Hoe doorgrondde hij de conventionaliteit der acties, hij, die schreef, dat hij wanhopig zou zijn als zijn figuren goed waren; dat hij 't academisch- correcte niet wilde; hij, die zei, dat als men een spitter photographeert, deze dan abso-uut niet spit; dat hij de figuren van Michel Angelo