20J
stond. Maar die tijd lijkt lang voorbij. Er is zwaarmoedigheid verzonken, roesemig en troebel; er is overgebleven rebellische levens-angst en opjagende driftigheid.
Deze jonge werker heeft een melancholie in zijn kleur, een dreigende verbittering in zijn visie, die hem somwijlen geheel overheerscht en onderdompelt in het smartelijkste zelfverwijt.
De pijnigende sensualiteit van zijn kleur, de hevigheid van zijn pogen, de felle, angstige aanstrakking van zijn kunnen, 't is alles in smartelijken spot en wrange ver-maskering van teederheid gedoopt, al wil hij uitwisschen wat er van spreekt en stamelt in zijn werk. — Zelfverachting en verachting van anderen, zelfsmart en smart om anderen; zelfspot en boert om anderen; ge houdt ze nauw uiteen in zijn arbeid. Als ge meent, dat hij ons menschengedoe sarcastisch en vlijmend belacht, dan belacht hij zich zélf alleen; en als ge denkt: nu doet hij een biecht van eigen leed en zondigheid, dan stelt hij juist óns aan de kaak, en heel de vermaskering en sluwe verberging van onze heete begeerten, onze ijdelheid en beschminkte moraliteit.
Dat onbewust- en bewust schimpend-critische leeft in zijn opstandig coloriet, in zijn aangrijpen van onschilder-bare dingen, in zijn lijn-charge, in zijn sujetten-keus, in de weelde van zijn overdrijvings-fouten. — Hij geniet