20Ó
rust; zijn hartstochten vervreten zijn zenuwen. — De tragiek daarvan is hij zich^zelf heel diep bewust. De tragische sensualiteit van Sluyters. Een wrang mengsel van bloed en gal lijkt zijn werk soms. De tragische sensualiteit schept juist zijn vlijm-ironie, zijn wondende snerping in typeeringen van hoeren en macrots, in typeering van walgelijke zwelg-kerels, genots-rochelend, met rood-klamme koppen, in zijn haat en zijn afschuw, waarmee hij de menschelijke hartstochten uitbrandt in zijn kleur, toespitst in zijn lijn. — Zelfs in zijn kinderge-gezichtjes is er die wrang-wreede, half hallucinaire, half schimpende gevoelswreedheid der bijtende observatie, dat accentueeren van het mismaakte, gretig-verminkte en ironisch-ontgoochelende. Wat een onthutsende tegenstelling met Cornelis Spoor. — In Sluyters, iedere werk-opwelling, dadelijk ontborrelend een gisting, een woeling, alles bitter, meedoogenloos, hard, wondend en onbarmhartig, wrang en donker-hevig, zonder eenige versierings-ornamentiek, zonder tempering of verwazing, — en toch zoo droef-gevoelig, zoo somber, met een zacht-versnikten smeek naar 't betere en hoogere. —
O! ik geloof, dat ook deze man wel ééns in zijn leven met een zingende ziel naar het onaangeroerde ochtend-blauw van een zoet-doorgeurden lentemorgen zal opge-staard hebben, in zwijm en verrukking voor al het aard-schoone, glanzende zomerleven, dat op uitspringen