JAN SLUYTERS.
Eigenlijk een vreemde eend in de bijt. — Zoo, op 't oog, een cabotin-penseeler, een grillige transmutator van van Gogh-motieven, opzettelijk van kleur, ruw van streek, met een zinlijken hartstocht de verf empateerend, meer schreeuwend en hel, dan schitterend en gloeiend. — Hij is Fransch, Spaansch, zuidelijk-vurig, spelend met woeste energieën; en toch, op een bepaalde wijze bedachtzaam, door zijn ironische observatie en zijn snerpend-wreede, kille ontledingskracht. Soms, vóór hij 't zich zélf bewust wordt, is zijn uiting al spot, wrange hoon, minachting. Sluyters' perversie in de kleur, de lijn, de compositie, is meer cerebraal dan passioneel. Van Gogh heeft hem de ziel aangerand, maar ook Degas, Monet, Signac, Rénoir hebben in hem de coloristische driften aangestookt. — Hollander is hij in zijn scherpe observatie, maar zuidelijke is hij in zijn hartstocht-brand.
Toch heeft hij veel eigens. Door verschillende stijlen is hij heengegaan. En nog heeft hij zich zelf niet gevonden. — Van alles dat 't vruchtbare droeg, poeierde het stuifmeel óver hem; de neurasthenie van zijn hartstochten wierp weer uit en af. Hij kent geen innerlijke