202
zijn paradoxen en hem opjagen en benauwen, al schuile vinkje spelend. — Gij vindt veel leelijks, stuiperigs ook in zijn stijl; gij noemt hem geen groot vormbeheerscher. Hij moest 't hooren. Hij zond u.. . een pot confituren of een dynamietbom. —
Velen zien in hem alleen den man, de ziel doorkorven van wreede wulpschheid ; 't vrouwelijk-brandende, wellustige van een Griekschen fluitspeler, een manlijken Megara in de taal, doorstuipt van tegennatuurlijke driften. — Men huivert en ziet hem gezengd door een priapischen ontuchtigheidsdrang in moreel denken en voelen, die zijn woeste fantasieën, uit zoete kabbelingen van gemijmer, plots laat overslaan in een tempo feroce, bij de wildste onstuimigheid eerst verzadiging vindend. — Maar vergeet niet dat zijn wellust-visioenen bijna geheel een stout verbeeldings-spel zijn. — Want weet dat hij liever door moordenaarsklauwen bezwijkt, dan in de handen eener wulpsche vrouw te vallen. En toch ijlt hij in zijn Zarathustra van den wellust, van den wijn der wijnen, met godsdienstigen eerbied uitgestort over
het leven. Maar tast goed de bedoeling____en de heidensche
verdorvenheid van een Socratische erotiek zult ge ver van hem vinden. Wel voelt ge een Sapho-achtig vuur zengen in zijn wellust-lyriek. Hij mint het vuur, het roode vuur dat genadeloos blakert. Maar verbeeldings-eroto-maan is hij nooit geweest. Hij stilt zijn onrust met