203
zangen, zijn koortsigen levensangst met uitdenken van vergifswerkingen. Daarom juist was hij zwak als mensch-schepper, omdat hij te veel kreunt als sater en faun.
O zeker, zijn plastisch vermogen is zeer gering. Hij kan niet als Balzac, Shakespeare, Zola, ménschen scheppen. — Ik zou met woorden als kinnebak-slagen zijn hoonende tronie kunnen bebeuken, als hij smalend over den geweldigen Zola en Balzac, den reus, schrijft; ik zou hem met een snijdend riet kunnen ranselen en striemen als hij den persoon Christus, ook in zijn heerlijke menschelijkheid verminkt met spot. Hij hield zijn eigen lyriek voor veel hoogere orde van beeldende kunst dan welke andere ook, in drama of roman, al noemdet ge de namen Shakespeare, Dante, Balzac. Hij voelt zich gelijk aan de vier of vijf allerhoogste schepselen, op aarde verschenen. Ge lacht, ge giert. Doet 't niet. Neem zijn superlatieven niet voor wat ze willen wezen. Hij is als natuurdenker, subjectivist tot de uiterste grens ... en is wellicht daarom het objectieve meer nabij dan we vermoeden.
Geniet van hem als grandseigneur van den geest, als dichter, denker, spotter. Hij havent god en duivel, maar niet daarom zult ge hem verdoemen. Kruisig hem niet tusschen twee misdadigers in, ge zoudt inderdaad hem een gunstgenoot van Christus maken.
Ecce Homo was zijn laatste woord. Het geeft een