20I
den vriend; Curtius, Muller en in 't voorbijgaan Reinoch, Schliemann, Hebbig, Burnouf, Ruyet, maar vooral Dr. Brevard; tevens verschillende bekampers van Nietzsche.
Uit de aanhaling, nog beter uit de studie zelve (GrootNederland Jan. 1910) kunt ge bemerken hoe diametraal ik tegenover zijn werk sta. Maar wat deert het of we 't wel of niet met hem eens zijn? Weet ge wel zeker dat ge het eens zijt met de revolutionaire grond-idee van zekere Beethoven-muziek, die u nd geheel met zijn klankberoeringen overweldigt, — indien deze grondidee in concrete voorstellingen, als bij Nietzsche, tot u kwam?
Vraagt ge u, met het ontledend bewijstzijn ooit af, wat het zilveren gebabbel van vogeltjes in zomervroegte beduidt? En waarom 't schelle gekrijsch der stormvogels ons beangstigt? Is er geen wilde muziek in de loeiingen en rukwinden om uw nacht-huis in den winter ?... De inspiratie doet zoo wonderlijk met zijn kunstscheppende creaturen. Zoo als muziek, zang, gedicht, moet ge veel van Nietzsche tot u nemen. Gij wilt hem alleen verstaan, waar hij duivelen uitwerpt, waar hij stijfkoppig als wijlen de jood Mordechaï u maar den beest-adem van zijn Übermensch onder den neus laat walmen. Gij wilt u verbergen onder de vlasstoppels van