!99
sischen eeredienst, kan wel blijken leege blijdschap te zijn om een schijnvondst van iemand die zoekt, zélf 't gezochte neerlegt, en voor anderen dan beweert 't gevonden te hebben. — Een goed historicus beschikt over telescopische oogen. Nietzsche juist heeft den blik der bijzienden."
En dit nog ter karakteriseering: „De historische visioenair Nietzsche heeft iets van een goochelaar, die met misleidende en bedriegelijke gebaren werkt, en in de ledige lucht grijpend met leege handen, toch vogeltjes vangt, metaal-gloeiend de veertjes, en spartel-lichtende goudvischjes uit zijn palmen wringt. Toch bedriegt hij zich-zelf 't meest, door te denken dat we zijn goocheltoeren voor werking van occulte krachten houden. — Nu hoor ik de opmerking al: hoe kunnen we loochenen dat Nietzsche's voorstellingen en die van anderen Grieksche werkelijkheid zijn, als we zelf vooropstellen dat geen sterveling uit dezen tijd een reconstructie van dat
Verleden-leven vermag te geven ? Eilieve,____'t gaat toch
niet om het uiterlijk karakteriseeren van hun schitterende, vurige, naieve, vragende, verbaasde, onstuimige, kwijnende, hevige of meedoogenlooze volksdriften en eigenheden, om den algemeenen gang hunner hartstochten, maar om de essentie hunner innerlijke levens-bewegingen. Ieder die zich waagt aan een opbouw van de Grieksche ziel, aan een diepst-indringende verklaring van hun psy-