ig8
spreken en tot ons opklinkt, is al van ons gescheiden door eeuwen en eeuwen mensch-vervormend leven, en nergens is er buiten onze subjectiviteit een geestelijke controle, die ons de weifellooze zekerheid geeft dclt we objectiveeren, dè.t we wezenlijk dien tijd verstaan. Eén ziet licht violet, een ander donkerrood, 'n derde heioranje ... 'n vierde regenboog-glanzen. Onder elkaar schelden de geleerden hun antipoden uit voor kleurenblinden ! Tot er een vuurvlieg-achtig schittervernuft verschijnt, dat alle theorieën op den kop zet, om na 'n uur van opgeblazen leven zelf in 't stikke donker te brommen. Zoo Nietzsche. We kunnen niet spreken van de Grieksche ziel, wijl het hooge wonder dier levensinnerlijkheid van toén alleen bewaard is gebleven in literatuur, beeldhouwkunst en philosophie, waarin de massa-ziel zich op honderderlei wijzen straalbrekend facet-teert, en ook op duizenderlei wijzen wordt verwerkt, doorvoeld en begrepen. Voor mij bestaat de splitsing tusschen Dionysische en Apollinische schoonheids-conceptie nergens in den Griekschen geest, noch in de volksziel, en evenmin bestaat de, tot grondslag van schoonheids-bewustwording genomen philosophie van den eeuwigen wil. Dat is Nietzschiaansch-Schopenhauersche, geen Helleensche realiteit, beverig betast met de voelsprieten eener vage intuitie. Opgewonden vreugde-vertoon over het z.g. terugvinden der wils-objectivatie in den Diony-