197
ceerde ik uit mijn eerste deel Beethoven een uitvoerige critiek op zijn z. g. appollinische en dyonysische beschouwingen der Grieksche cultuur, waarin ik lijnrecht tegenover zijn grondbeginselen kom te staan; een critiek die zich ook bij geen enkele andere bestrijding aansloot. Ik schreef toen o. m. ״Zoodra beduid kan worden dat de onderscheiding tusschen dionysische en apollinische levensconceptie nooit in de ziel der Helleenen, alleen in 't voluptueus-fantastische hoofd van Nietzsche bestaan heeft, geboren uit de nerveuse worsteling zijner eigene, broos-subjectieve natuur met optimisme en pessimisme, tuimelt heel zijn volkeren-psychologie, ondanks fonkelend wijs-geerig schoon in de horizon-wijde voorstelling hier en daar".
Ik behandelde in deze studie zijn geheele theorie, en schreef o.m. ״Volks-psychologie berust niet op een wiskunstige rede-basis, wordt niet vastgehaakt aan een getallenleer die in haar innerlijke wezen een onvergankelijke waarheid inhoudt. Integendeel, ze is afhankelijk van onze zintuigelijkheid, en niet, gelijk de groote kerkvader Augustinus al bewees, van de mathemathische waarheid, een buiten de zinnen-waarneming tot ons indringende wetenschap. — We kunnen wel, als een kleine kangoeroe in den moederzak, knus voortschommelen tusschen de beenen der oude geschiedschrijvers, die ons overal meesjorren, maar het woord dat zij