190
tragiek. Zijn woord, zijn zang, zijn kunst is mildgeurig. Haat hem in zijn felle geweldenarijen, in zijn snijdenden hoon... Heel in 't geheim voelt ge, hoe hartstochtelijk gij hem liefhebt in dien haat. Juist de felheid van onzen haat geeft den graad van onze liefde voor hem aan. —
Het is nu niet meer de vraag of hij niet gruwelijk mistastte in de waarde-bepaling van zijn gaven. Voor U en duizend anderen wèl, voor hem zelf niet. Ik stel hem b.v. vèr onder Shakespeare en Balzac,... maar wat doet er dat toe.. . Ten slotte kan een iemand die Ecce Homo geschreven heeft, buiten alle waarde-bepalingen van literaire critici, psychologische of philosophische; zoo goed als hij de carbol-luchtjes van de geneesheeren kan missen. Hij vermag zooveel smaad en lof te doorstaan. Luister naar het religieus-bewonderend gekwinkel van HornefFer, luister naar den nog strakker spanner der adoratie, Dr. Breysig, die hem naast Christus en Bouddha een plaats inruimt.
Ook zoo'n bewondering van doctortjes-in-wijsheid en letteren-polsvoelers is wee. Haat hem liever...
Wat een vernuft was Nietzsche, wat een vlijmende kracht, een saamkropping van passies, een ontzettende levensspanning in dien man. — Zijn borst behamert