!89
Zoo schrikkelijk was het tragische einde van Nietzsche.
Haat gij hem nu nog om zijn zelf-vergoding ? Wees barmhartig, gij psalmodieerende medemenschen, vol ootmoedige christenliefde. Laat adem van roode bloemen over de tragische nagedachtenis van dezen eenzame heenl-uwen. —
Toch, hij zelf verafschuwde de barmhartigheid. Hij voelde zich rijp als een zwaar-gezwollen tarwe-aar. — Voor de zwakzinnigen was het brandende altaar van gebeden. Misericordia, de boezemnaakte vrouw, zou hij bespuwd hebben in diepste verachting. Een karabijnschot tegen zijn verlepte hersens ware hem liever geweest dan medelijdende genadigheid. In zijn dementietoestand zou hij nog de olijftak uit Misericordia's hand verknakt hebben. En 't hulp'looze kind dat naar haar toe ijlt om bescherming, zou hij zeker een hongerigen wolf achternagezonden hebben.
Goud gloeit op den toetst. Zoo Nietzsche's neigingen. — Hij minde juist wat hem ontbrak, zegt Möbius ergens. — Zijn schrikkelijk eenzaam leven heeft op deze vulgariteit geantwoord.
Neen, haat hem liever, dan dat gij hem met uwe barmhartigheid inbalsemt. Maak u los van zijn doods-