i8S
haat hem om zijn bluf, zijn hoonend-boosaardige, ver-nieldriftige, bijtend-sarcastische overkracht, zijn pauw-pronkende zelf-critiek. Gij minacht den schijn van dezen stellig licht vleugeligen lucht-zwierder, die, vaak zonder stem, toch altijd voor een zangvogel wil doorgaan. — Gij veracht, meent ge, zijn huiveringwekkende zelf-ver-heffing— Ge bezint u, en bemijmert zijn uitspraak — twee duizend jaren zouden er minstens noodig zijn om te kunnen ontdekken dat hij de visioenair van Zarathustra
en de ontleder van ״Menschelijk, al te menschelijk" is____
indien hij zijn naam voor beide boeken veranderd had____
Zoo een snoevende schabak ! Hij kantelt geen dobbel-steenen meer voor zijn onsterfelijkheid om. — Die _ is er! Hij heeft zijn roem-zuil uit woeste rots gehouwen! —^ Zelfs het socialisme overstapt hij snood.
Op zulke vergoding van eigen gaven komen de psychiaters aanhuppelen en verhalen in lieflijken tongval, vol geleerdheid, van paranoia .... de echte, gewaarmerkte duitsche ״Verrücktheit, de onvervalschte" Krankheitszustande, de ״Wahnbildung". En is het beeld van den paranoïker te straf-eenzijdig, kan de aetiologie niet heel het oorzakelijk verband der verschijnselen saam-snoeren, dan gemoedelijk-terug naar de symptomatologie der demente paralyse, als ״der Zustand in die tiefste Verblödung über geht". —