179
Dialectiek beschouwt Nietzsche als een decadence-ken-merk, vooral in Socrates. Hij haat ze, zooals hij zijn vrienden ook durft haten. Hij acht zich een decadent en gelijkelijk het tegenovergestelde daarvan. Uit alles wat hij doorleeft maakt hij zijn eigen rekening op; hij is een schiftende kracht. Hij heeft afgedaan met zichzelf en anderen. Hij is altijd in zijn eigen gezelschap. De domheid achterhaalt hij met het onmiddellijke uitzenden van een wijsheid. — Een zure geschiedenis beloont hij met 'n pot confituren. — Nooit voelde hij zich ziekelijk kwetsbaar. Men brandt nooit gauwer af dan door toegeven aan wrokgevoelens. Als hij aanvalt bewijst hij in den aanval juist zijn welwillende gezindheid. — Hij wil vooroordeelen laten ontspruiten uit onguren toestand der ingewanden. De Fransche beschaving verheerlijkt hij geduriglijk. De Duitsche is hem een gruwel. Hij mint de dartelheid van Montaigne's geest, en Molière, Corneille, Racine neemt hij grimmig in bescherming tegen de wilde genialiteit van Shakespeare. — Voor de latijners heeft hij zooveel smaak dat hij zelfs Paul Bourget, Loti, Melhac, Jules Lemaitre waardeert, .. . naast France en De Maupassant. — Zulke knoeierijen in literatuur-oordeel is het speciale eigendom van Nietzsche. Taine is natuurlijk bedorven door Hegel en de verdoembare Duitsche cultuur.