i78
geweldigheid. — Hij laat puntige pijlen uitschieten in een gouden boog, die sissend de lucht doen barsten, en, in een uitwaaiering van zilverlicht, hoog, de nachttransen bespatten met wilde starren. — Hij laat vreemd gefluit en geloei van snorrende klappers en kogels door de lucht suizen, en paarse, groene en rood-oranje licht-wemelingen over zijn hoofd heen verstuiven in het avondblauwe ruim.
En soms, uit den donkersten, diepsten hoek, dampt hij los als een bengaalsche vuur-gloeiing, rood-rookig, dat even plots weer uitdooft in een nawalmende kleurenmist.
Tot helsche zelfvergoding is zijn waan in dit werk uitgespat, en toch zult ge het geen ijdelheid mogen noemen. Schrikaanjagend, opzichtig illumineert hij in zijn Ecce Homo; een stoute zelf keuring van zijn geest en zijn werk. Om u een denkbeeld te geven van zijn grootheids-gedachte, karakterizeer ik hier beknopt eenige zijner verspreide meeningen.
Liever een satyr dan een heilige wil hij zijn. Geheel naar eigen zin, begeert hij te leven in ijs en hooggebergten. — Zoo hoog stelt hij zijn eigen philosofie. Met Zarathustra gaf hij de menschheid, naar zijn eigen inzicht, het grootste geschenk ooit haar gegeven.