FRIEDRICH NIETZSCHE.
Er zijn geesten die voor hun eigen bestaande of veronderstelde grootheid illumineeren in de stille duisternis hunner afzondering. — Zij bedwelmen zich onder een soort fetichismus van het lyrische en fantastische woord met al zijn ruimtescheppende klank-golvingen; ze verlustigen zich in een soort van perverse zelfbeschouwing en ze drenken hun wezen in wilde begeestering als een vloei in inkt. — Zulk een illumineerdende zelf-critiek op eigen scheppingen geeft het boek: Ecce Homo, van Nietzsche, den grooten fantast-philosoof. Een boek, uit pathologisch oogpunt, wellicht het vreeselijkste, — in aesthetisch-keurenden zin misschien het merkwaardigste geschrift van dezen antichrist, vol gram en donkere woede; dezen verheerlijker van de hoogere zelfzucht, tegelijk roekeloos en heroiek kamper tegen het z.g. ideale en moreel idealisme.
In de zilte stilte en op de toppen van zijn eenzaamst
grootheids-gevoel, verlustigt hij zich in het kleurgloeiende
spel zijner illuminatie; bestaart hij het grillige vonken
van zijn vuurwerk, ontstoken ter eere van zijn eenzame
12