173
naar de schoonheid met hen gemeen. Hij verafschuwde het leelijke, en dit maatschappelijk bestaan vooral vond hij gruwbaar en onschoon. Hij was eigenlijk een levenskunstenaar. Het heele bestaans-object verlangde hij in menschelijke schoonheid te zien gaan. Heimelijk zei zijn ziel hem dat er buiten de menschen geen abstract schoon was, al kon hij met zijn fijn-voornamen geest de klanken-zangen van Vondel, de breed-magistrale tragiek der classieken en met zijn hoog-opgedreven smaak en zin voor stijl-pracht, het mooie in de beweging van '80 zoo sappig proeven als de meest geraffineerde en gespecialiseerde ״kunst"-criticus. Maar zijn aandoening gaf hij 't meest aan maatschappij-beschouwing. Zijn natuur leende zich niet tot afranselen, maar wel tot scherpe, rake, hopeloos-logische deducties. Dat hadden de onroerige vrindjes en stamgasten nooit gezocht achter dien rustigen kijker, die wel eens het renteniersbuikje met gemakzuchtige tikken beklopte, als er 'n stormige lucht hing boven Holland. Dat hadden ze niet verwacht dat hij zoo zijn tegenstanders de ribben smeren zou, zoo onhartelijk en zoo onverzoenbaar. En hij keek meewarig, maar oolijk om naar 't gejank en gekreun om hem heen. En oer-leuk, alsof er geen scherpte in zijn woord had gebrand en geschroeid, stapte hij 's avonds weer 't café-met-vrienden in, bestelde hij, rond en joviaal en argeloos zijn potteke bier, en slurpte gretig in het lekker-koele schuim. Want