!72
kalm-klare, nuchter-objectieve ziel beefde van geluk onder den vrijheids-zang der donkere zwoegers-, genoot onder het vlijmende, geeselende of juichende woord der leiders; hij voelde zich in, heel het levens-gericht verhelderende geestdrift, doorstroomd van een nieuw bestaan, en ons biechtte hij zijn geluk. Eenmaal geboeid, vocht hij mee en kwam door zijn schrijvers- en denkersgaven van zelf in het eerste gelid.
Toch nooit verloor hij, ook na deze kentering, zijn goedlachsche, joviale, fijn-schertsende guitigheid en nuchtere klaarheid van geest. Want dat nuchterlijk-objec-tieve in hem was eigenlijk een wapen van zelfbedwang. Dieper daaronder en -achter stormde het meer dan eens in woedende verontwaardiging om de onmenschelijkheid der samenleving. Deze man met schalksche bonhomie en bijna-geruststellende emboinpoint was in wezen een droomer, een revolutionnair. Maar het gedisciplineerd zelfbedwang van zijn geestelijk doorzicht belette den wilden uitgroei daarvan, om het nuttelooze, onreëele. Wat zouden de geknechten hebben aan ophitsende, wrange woorden als de dood niet volgen kan, zal hij wel meer dan eens gedacht hebben. Dan stilde zijn onrust en de in rep-en-roer gebrachte gedachten. Dan ontrukte hij zijn eigen geest de stelten en ging gelijkvloers.
Tak was geen kunstenaar, maar hij had de ontroering