174
daar hield vader Tak zoo veel van; van dat gezellige avondlicht te vangen in de spiegelingen van zijn biertjesglas, en dan net te doen, oolijk en schichtig tegelijk, of ie alleen was geschapen voor de rondlachsche boert en de gul-jolijtende pret. En dan soms, met 'n gezicht alsof ie net 'n uiltje geknapt had, te luisteren naar het kruisen van 't stekelige vraag-en-antwoorden-spel der omzitters.
Den volgenden dag bemerkten ze in een artikel dat die snaaksche vader Tak geluisterd had voor vier, dat hij kon polemiseeren als de beste, door overal structuur in te brengen; dat hij kon stekelen, vlijmscherp en onverzoenlijk zijn als de koenste waarheidszegger, en dat hij zich door vlei-smoesjes noch dreigementen en uitbranders liet overrompelen zijn waarheids-inzicht achter te houden. Hij kon vol warme genegenheid handen drukken, maar ook onversaagd negeeren als 't moest, als hij er de bedrijvers van wandaden in wist. Nooit was hij een konkelaar, een valsch-objectieve, laffe en futlooze alles-goed-prater; een z.g. slag-om den arm-houder, een allemansvrind en een kwispelaar voor knecht en meester. Hij kende zoo goed de straf, de paedago-gische waarde der straf. Maar in zijn genegenheid was hij vaderlijk-hartelijk, tegemoettredend en van een zich aldoor verinnigende, schoon nooit opdringerige vriendschappelijkheid. Ook zijn menschenkennis was vol fijne vondsten en zeer gedocumenteerd en geobjectiveerd door