153
Ook niet de zielebewerker van Raphaël uit ״La peau de Chagrin", en 't allerminst wel de broeiend-sensueele uitdenker der ״Contes drolatiques". Maar een Seraphita is toch onder den dauw van het mysticisme ingesluimerd. En een beschrijver van het vrouw-innerlijk als van Henriette de Mortsauf in ״Le Lys dans la vallée", weet wat zinne-zuivering en bijna ascetische vergeestelijking van passie is. Ik zou de vergelijkingen met veel van zijn ander werk kunnen voortzetten, indien ik hier een ontleding van den schepper zou geven. Crepét wil van Balzac's mystiekerij en bijgeloof-gedoe en loopen naar kaartlegsters niet veel weten. Begrijpelijk als dit genie wordt oversmeerd met restjes van koffie-dik bij vunze waarzegstertjes opgeraapt. Maar Crepèt loochent zijn voelen voor occultisme- Balzac zegt hij, was uiterst gewetens-onbeklemd echtbreker. Hij voelde zich vogelvrij en strooide Graaf Hanska voortdurend zand in de oogen. Met toekomstige genots-voorstellingen, hoogelijk onkiesch vooruit-loopend op diens dood, heeft hij zich zelf gemérkt. Het is waar, in ״Lettres a 1'Etrangère" schrijft hij Maart 1834:
„Bébête! dans dix ans, tu auras trente-sept ans et moi quarante-cinq, et è. eet Sge on peut s'aimer, s'épouser, s'adorer tout une vie".. . .
Maar waagt mogelijk, op zrilke uitingen, Crepèt Balzac in zijn gevoel voor occultisme aanstellerig te noemen ? Alleen