14»
rusten. Als hij uitgeput raakt ziet hij smachtend naar de koffie uit. Koffie-verheldering door koffie-bedwelming. Hij zucht, hij gaat aan 't rekenen. Met dit en dat onderwerp is zóó- en zóóveel te verdienen. Hij zal publiek-smaak bevleien en fortuin en glorie onder een hoedje zien te vangen. Soms, totaal uitgeput, maakt hij uitstapjes, maar werkdriftiger en opgewondener dan ooit keert hij terug. Het leven schiet hem voorbij met het warrelend geraas van een rolschaatsen-baan. Sta! .. . roept hij in zich zelf, maar het wentelt en sliert en hij voelt zich zelf waggelen tusschen het dronken gezwier.
Na den duizel der glorie zonk in Balzac een soort van weerzin voor het krioelende leven om hem heen. De gansche uiterlijk-pralende en flonkerend-parade-achtige rommelzooi wordt afgeworpen. Jassen uit, rokken uit, vesten uit; beblomde kamerjapons en rijtuigen wèg. Zijn malsche levenslustigheid doet hem grollen verschateren over zijn afgunstige vijandjes die zijn ondergang al nabij hadden gewaand. Ze belasteren zijn leven, zijn intiemen omgang met vrouwen, zijn win-en heerschzucht. Hij hoort het aan allen kant kraken. Maar de lach, de rollende onweerlach van Rabelais ... daar was niet op gerekend, die al de giftige buitjes van jaloersch-zieke colléga's wégveegt in één geluidsstorm. Onbegrijpelijk echter dat ook lang na deze luidruchtigheids-periode