143
broken van den Rabelais'schen schater. Seraphita-mystiek, verteederd gepeins van Madame de Mortsauf, op den voet gevolgd door de luidruchtige, barokke en över-gloeiende zinnelijkheid der Contes Drolatiques. — Zijn altijd bezige handen bewegen zich door de ijle nacht-schaduws heen ... De kaarsen om zijn verzonken hoofd schemeren goud, zacht goud, zonder afglans en spiegeling. Droomerig bestaart hij, zonder te zien, een fijn stijlmeubeltje op zij, met lijntjes, als het profiel van een coquet meisje... Weet hij dat het nacht is? Om zes uur 's avonds was hij in bed gestapt, met een nog kauwenden mond. Middernacht laat hij zich wekken. Een uur later is hij wereld en eigen bestaan vergeten, blijft hij, kopgebukt over zijn papier, tot den volgenden middag vier uur. Zoo zwoegde deze mijnwerker-dergedachten en deze heelal-doorzwerver der verbeelding. — Soms, als een geweldig zins-beweeg lukt, kunt ge allicht 'n snik van genot hooren, en verder stuipachtige nuancen zien in driftige gebaren die niet na te bootsen zijn. — Zoudt ge niet vermoeden, lezer, dat zulk een man, uitgemergeld van werk-koorts, stuntelig schokte, of dat zijn wangen er slap bij neerhingen als van half-gevulde kerkzakjes? Integendeel. Zijn ronde kop gloeit en schijnt rooden werk-gloed af.
Voor slechts enkele getrouwen is er toegang in zijn heiligdom. Hij zelf gaat alleen uit als het hart van een