142
behandeld. — Crepèt's conclusie is, dat het dagboekalbum, gedurende Balzacs gansche letterkundige loopbaan op zijn schrijftafel heeft gelegen, onder zijn dadelijk bereik. Waarschijnlijk boven een keukenhoek waarin Balzac gedachten en zinspreuken van Napoleon placht neer te schrijven welke hij onder zijn lectuur ontmoette, en waar hij later op zoo pijnlijk benepen wijze afstand van heeft moeten doen. —
Zotter en tragischer dan de ijd'le schermutseling van Balzac met den blaag Roger de Beauvoir, den ״grand tutoyeur" waar Alphonse Karr zoo lipsmakkend-gedenk-schriftachtig ons met veel leegen omhaal van verhaalt. —
Stelt u nu, na lectuur van dit dag-agenda-werk-rooster-en plannen-boek, dezen geweldigen zwoeger voor met zijn monniken-werktucht in de Rue Cassini, tusschen Observatorium en Luxembourg. Diep in het zachte ruischen van de stilte zit hij gebogen voor zijn papier. Hij zwoegt twee derde van den dag. De wereld met haar gedruisch en gedreun is voor hem verzonken. Hij werkt als een alleenovergeblevene op een vergane planeet. Het is een karnen van de denkstof. Er groeit wilde tier in zijn verbeelding. Soms hoort ge stram een rheumatische vloek, half uitgekermd; dan besluipt u weer de stilte... Soms laat hij een instrument zingen dat lokt als een aanhalige vrouw. Plots 't zingen weer door-