140
Want we zijn toch met dit album, naar eigen aanduiding, in het groote lusthof van Balzac's gedachten. Ja, Balzac kon wel schoon-decoratieve en flonkerende titels bedenken. — Hij rooft onze illusies niet, zelfs al staat ge vlak op zijn handen en al ruikt ge alchemistische luchtjes; zelfs al botst ge bij iedere pagina öp tegen den werkman, den worstelenden technicus met vak-eischen en stof.
״Mais le plus diabolique de tous, le Lucifer de la littérature, c'est Balzac," — laat Anatole France in zijn aardigen dialoog zijn ״interlocteur" zeggen. — Maar Lucifer in zijn werkhol, een Lucifer die met één hand wijwater over zijn gezicht sprenkelt in vroom gebaar, met de andere hand godloochenaars koestert en Napoleon's zedeloosheid waagt te steunen, zoo een is nooit vertoond. Zou Balzac verborgen gedacht hebben: alleen hij die rijp is voor de hel, kan in den hemel komen? Want met al zijn levendige luidruchtigheid en joviale gebaren-breedheid, hield hij veel satanisme van zijn wrangere natuur verdekt voor wereld en burgermenschen die hij wou exploiteeren. —
III.
Crepèt vraagt: a quelle période de la vie de Balzac correspond ce précieux livre?" En verder:
״Notre album n'accuse pas un moindre désordre en