139
trilt in de krioelende lettertjes van Balzac's handschrift, lang gedroogd en uitgebleekt, nog het koortsige van zijn gedachten-leven na. — Ook Crepèt zegt:
״C'est un document littéraire inestimable et c'est aussi un document biographique de premier orde." —
Ge beloert de wording van zijn moeizamen perioden-bouw, ge ziet het klapwieken van de stoute fantasie.— Gij ziet hoe hij zijn gronden aanmaakt, zijn kleuren mengt en opzet, zijn eerste lijnen fijn-vaag neerzwiert in schimmigen groei. Het vlindergoud poeiert op de toppen van zijn mooie vingers, en niet weinig trotsch is de zwaar-massieve hercuul op zijn cierlijk manuaal en de teedre materie. — De duim lijkt mij de domste der vingers, onintelligent van vorm. Balzac schijnt 't stillekens gevoeld te hebben, want al zijn gestes omspeelde hij met de gracie van zijn mooie pink, naar mijn gevoelen de schranderste der vingers. Soms hoort ge hem voetstampen van drift als zijn stijl verklontert, er geen vloeiing en deining in de zinnen wil komen. Dan ziet ge zijn woedende doorhalingen en uitveegingen. O! groot-rhythmische zins-beweging, hoe weinigen hebben haar, hoe klein aantal voelt den woord-rhythmus, zuiver muzikaal. — Wel jammer dat Balzac, na Berlioz nog Bellini-verrukkingen kon ondervinden-, den luchtigen zwendel eener sensueele operette verkoos boven het drama der mensch-verdoeming. Zot dat Crepèt daarvan niet kikt.