Eerst door dit album-dagboek, voordien nooit gepubliceerd, leert ge de waarheid dezer woorden beseffen. Balzac's leven, aard, neigingen en scheppingen zijn inééngroeiselen van de hééle persoonlijkheid. Al zijn vermogens en hartstochten, heel den wilden gang zijner driften en begeerten heeft hij mèt zijn werk voor altijd leven gegeven als een objectieve werkelijkheid buiten hem. — Een wonderlijke ontroering beklemt u eerst, als ge dit album inziet, want ge treedt in de diepe, zeer levende intimiteit van zijn werkkamer aan de Rue Cassini... en in 't hart zijner begeerten en droomen. Ge loert, zonder door zijn goud-gloed-oogen gezien te worden, in den schemer der brandende kaarsen, op zijn zwoegende handen, die de alchemistische brouwsels bereiden waarmee hij de glans-geheimen om zijn dramatisch werk heentooverde. Gij staat onopgemerkt achter den kapot-gezeten werkstoel van den schepper der ״Comédie Humaine"; gij ziet hem in zijn morsmouwen ploeteren. Gij hoort hem zuchten, kermen, vloeken en grommen als 't niet lukken wil. En soms wegslepend, als in Seraphita, klankt aan, de mystieke zangstem van den diep-ontroer-den dichter, lokkend en raadselachtig als de veel-belo-vende en niets-toestaande glimlach van een aanhalige vrouw. —
Laat mij u eerst iets uit de geschiedenis van dit zeer intieme Balzacboek mededeelen, een geschiedenis hier en